vrijdag 12 juni
4 | 20:53 Klein Stockholm

Elke minuut word ik nu stijver, wordt de pijn erger.
“You should see the other guy”. Ik wil niet eens nadenken over hoe hij zich moet voelen.

Ik snap nog steeds niet wat er precies is gebeurd.
Ik stak gewoon normaal op de fiets de weg over, richting de kringloop waar mijn moeder werkt. Drukke, maar zeer overzichtelijke kruising. Alles was veilig en rustig en vrij.
Maar ineens zie ik uit mijn linkerooghoek met hoge snelheid een schaduw op me afkomen. Het volgende moment voel ik een harde knal, door mijn hele lijf heen. En sta ik wankelend om, door, in en naast mijn fiets.

Als ik om me heen kijk zie ik een eindje verder een motor op z’n kant over het asfalt wegschieten. En een losse berijder.
Goh, denk ik. Heel helder. Het is echt waar, wat je altijd op tv ziet. Motor + asfalt = vonken. Overal.

De motorman staat op en rent om zijn motor op te rapen en langs de kant te zetten. Alles ok met hem, dus ik kan me even aan mezelf wijden.
En mijn fiets.
Die is stuk. Behoorlijk stuk.
Mogelijk total loss, maar dat zal de toekomst leren.
Ik ben niet dood, ik ben geloof ik niet eens kapot, maar we moeten wel Zaken Doen.
Jasses. Het deel van ongelukken wat ik (naast de schade, natuurlijk) het meeste haat en vooral vrees. Want ik wil niet ‘gemeen en onaardig zijn’. Geen ruzie krijgen.

Omstanders zijn toegesneld, kijken hoe het gaat, wat ze kunnen doen. Ambulance nodig, politie bellen?
Neuh, zeg ik. Neuh, zegt ook motorman, die inmiddels naar me is toegekomen. Gestrompeld.

Weet u wel, van schaafwonden? Hoe je eerst niets ziet, alleen maar rood, en dat dan langzaam het bloeden begint?
Motorman was in zomerdracht. Korte broek, T-shirtje, slippers. Geen helm op.
Hij reed veel te snel. Sneller dan de auto’s.
En daar was hij gegaan. Met al zijn naakte huid, 60 kilometer per uur, over het asfalt.
Hij was in shock, ik was in shock. Ik voelde mijn beurse lijf niet, hij zijn schaafwonden niet; allebei dachten we alleen maar: hoe is het met de ander en wat nu te doen.
Alleen was er aan mij niets te zien. Terwijl hij daar helemaal ge-kaasschaafd stond en langzaam maar zeker over zijn hele lijf begon te bloeden. Het maakte de onderhandelingen er voor mij niet ontspannener op.
Maar nee, hij was in orde, geen reden om naar het ziekenhuis te gaan.
Wàt alle omstanders ook zeggen.

We wisselen namen en nummers uit, ik noteer zijn kenteken.
Jack, heet ie. Midden dertig en aandoenlijk lief. Stomme sukkel die hij ook is.
(‘acuut stockholmsyndroom’, diagnosticeerde ik mezelf ter plekke; maar mijn moeder zei later ook dat hij schattig was. Een knuffelbare reus. Bebloed en wel)

Hij vervolgt zijn weg, ik de mijne. Naar mijn moeder, die ik zou gaan helpen.
Mijn fiets til ik op en draag ik naar de overkant van de straat. Daar kan hij wel een tijdje staan.
Maar dan? Hoe krijg ik hem in vredesnaam bij een fietsenmaker?
Vriend E., denk ik direct. Opportunistisch misbruikend kreng als ik ben.
Maar E. schrikt zich het lazarus natuurlijk, als ik die bel; dus het beste kan ik gewoon zo koeltjes en zakelijk mogelijk blijven.
‘Hoi, met mij. Kan jij morgenmiddag mijn fiets met de auto naar de fietsenmaker brengen? Ik weet niet hoe ik het anders moet doen, hij is total loss.’ – ‘(wantikhebneteenaanrijdinggehad)’, fluister ik er heel snel achteraan. Misschien hoort hij het alleen maar subluminaal; net genoeg om als verklaring voor mijn veeleisendheid te dienen, maar niet genoeg om hem bezorgd te maken.
Het werkt niet, zo blijkt.

Volgende stap is mijn moeder.
Dóór naar de kringloop.
En van daaruit alsnog door naar het ziekenhuis.
Want ik blijk een bult van bloed op mijn onderbeen te hebben (‘blauwe plek’ is niet helemaal het woord). En dat is niet handig, als je stollingsproblemen hebt.
Ziekenhuis, triage, huisartsenpost (want minder druk, en foto's maken kan altijd nog).

Alwaar, bij de balie, ‘mijn’ Jack staat. Met vrouw, die mij walgend aankijkt. Alsof ik de hoofdschuldige van dit hele voorval ben, alsof door mijn schuld Jack thuis de bank onder het bloed heeft gesmeerd en hun geplande etentje is verpest.
‘Het begon toch wel erg veel pijn te doen’, zegt hij.
No shit, man.
Tegen de triagezuster, die me bij de HAP heeft afgezet, zeg ik stralend en enthousiast: ‘hij hoort bij mij! Wij hebben samen het ongeluk gehad!’
‘Samen’. Niks ‘hij is met zijn motor op mij, krukdragende MS-er op klein fietsje, ingeramd’. Nee: we hebben sámen een ongeluk gehad en hij hoort bij mij.
Nog vuilere blik van Vrouw.

De huisarts onderzoekt me van hoofd tot voeten.
Schouders, die ineens ook redelijk uit het lood blijken.
Ben ik gevallen? Is mijn hoofd geraakt?
Ik heb oprecht geen flauw idee.
Voor zover ik weet heb ik alleen maar de klap opgevangen. Maar wel met mijn hele lijf.

De arts vermoedt dat er niets is beschadigd, maar zegt wel streng dat ik NIET op mijn moeders fiets naar huis mag gaan. En dat ik ook niet alleen moet slapen vannacht. Want alles in de gaten houden en je weet nooit van intern en terugslag en alles.
Die terugslag, dat weet ik wel degelijk.
Die gaat nog komen en ook niet zuinig.
Want ik voel niets. Emotioneel gezien.
He-le-maal niets.
Ik ben melig en giechelig en beurs en trillerig, maar ik huil niet en ben niet bang en zelfs niet moe. Niets. Maar heel af en toe klinkt op de achtergrond: ‘je had morsdood kunnen zijn. Eén seconde verschil en hij had je vol geraakt.’
Maar het dringt niet door.
En dus wuif ik alles weg wat de arts zegt. ‘Komt wel goed, schatje’.

In plaats daarvan spreek ik hem streng aan op zijn heftige zachte-g.
‘Waar komt u vandaan?’
‘Uit het Zuiden van het land.’
Duh. Waarom denk je dat ik er überhaupt naar vraag?? Omdat je zulk prachtig geïntegreerd plat-Haags praat?
Uit Limburg, komt hij. Hij is hier al sinds 1977, maar ‘blijkbaar blijf je het altijd een beetje horen’. Een beetje. Tuurlijk joh, laten we het daar op houden.
Hij knikt naar mijn moeder en zegt: ‘En u? Uit Brabant?’

WTF?

Het komt harder binnen dan de motor heeft gedaan.
Mijn prachtige hooghollandse keurig opgevoede moeder, door haar Philips-ouders altijd ver weg gehouden van het inheemse tuig, die heeft een Brabants accent. En wat erger is: ik hoor het niet.
Hoe kan ik haar ooit nog hetzelfde bekijken??

Als we weer buiten staan is daar ook Jack.
Nog steeds bloedend, en ook nog steeds bezorgd om mij.
Hij moet waarschijnlijk antibiotica, en een teTAnus-injectie
(TEtanus!!! Krijg ik later van beide ouders in unisono te horen, als ik verslag van de ontwikkelingen doe. Nee, *hij* kreeg een teTAnus-injectie. Laat hem nou, hij is lief)
Hij belt me vanavond, belooft hij. Om te vragen ‘hoe het met u gaat’. U. Ik ben nog steeds u. De intimiteit van het samen-ongelukken wordt door hem blijkbaar anders ervaren.

Nog even kopje koffie in het ziekenhuis.
Vader bellen.
Vader WOEST. Preek dat ik de politie had moeten bellen. ‘Want hij was strafbaar!’
Ja, dat weet ik nou wel.
Dat heb ik inmiddels van iedereen gehoord. Van E., van mijn moeder, van de collega’s van mijn moeder. In het ziekenhuis, en van de ronddwalende losse agent die ik er toch nog even naar vroeg, ‘in het hypothetisch geval’, zeg maar.
Niets meer aan te doen nu.
‘En het was een engeltje, heus, mama vond het ook!’.
Hij had geen verzekering en dat is zielig en straks krijgt hij over zijn hele lijfje korsten, en de helft gaat natuurlijk ontsteken, en hij blijkt allergisch voor de antibiotica en dan krijgt hij een anafylactische shock en raakt in coma en tegen die tijd heeft hij echt wel geleerd dat hij voortaan beter moet uitkijken.
(‘Je overdrijft gelukkig nooit’, zei mijn moeder hierop)

Ik zette mijn moeder af bij de bushalte en fietste zelf op haar fiets naar huis
(‘Als je een ongeluk krijgt sla ik je dood!’ – want ik heb het van geen vreemde)

Maar het ergste zou nog moeten komen.
Bij thuiskomst wachtte me een berichtje op Facebook.
Van C. Of ik Farm Heroes Saga wilde spelen.
Mijn lieve, lieve C. blijkt niet alleen Farm Heroes Saga te spelen, maar het ook nog nodig te vinden me daarvoor uit te nodigen.

Nog iemand onder u die vannacht bij me wil slapen, om de wacht te houden over mijn onvermijdelijke instorten...?


***

Naschrift:
Om half tien ging ik nog even met mijn moeder naar AH. Koekjes kopen, koffie drinken. ‘Chillaxen’, zo u wilt. En wie stond daar bij de kassa, prachtig in-gemummied...?
“Dit is Karma”, zei mijn moeder plechtig tegen me. “Dit kan nog iets prachtigs worden, tussen jullie”.
Eerst die motor de deur uit, dan.

dinsdag 24 maart
1 | 19:47 Open

Ik ben Puck. Ik ben een racist. Ik discrimineer.
Ik houd niet van vreemdelingen.
Niet van homo's, niet van lesbiennes, niet van transseksuelen.
Maar ook niet van hetero's.
Niet van vrouwen. Of mannen. Laagopgeleiden. Hoogopgeleiden. Niet van Marokkanen, niet van Turken, niet van Polen, niet van Duitsers, niet van Belgen, niet van Limburgers, niet van mensen van buiten de randstad, niet van mensen buiten mijn wijk, niet van mensen binnen mijn wijk. Ik houd niet van gelovigen, maar zeker niet van ongelovigen. Niet van mensen die naar feestjes gaan, niet van mensen met broers en zussen. Niet van mensen die auto rijden, die elke dag een toetje eten, die zijn opgegroeid met sap en chocomel in de koelkast. Niet van mensen die hun haar stylen en zich opmaken en douchegel gebruiken. Van mensen die op vakantie gaan, mensen met dingen aan de muur, de radio aan, gezellig voetbal kijken. Gezellig gezellig zijn.

Ik houd niet van mensen die anders zijn dan ik.
Die, in de volle en meest figuurlijke breedte, mijn taal niet spreken.
Ik begrijp ze niet, ik zal nooit begrijpen, ze maken me heel onrustig en angstig. Maken dat ik me onveilig voel.
Ik wil 'gewoon normaal', niets anders dan anders. Geen verrassingen, me niet hoeven aanpassen, niet worden geconfronteerd met onverwacht en vreemd.

Niettemin.
Tot mijn eigen verbijstering ben ik het steeds meer eens met mijn - nog autistischer - moeder. Die met eenzelfde kernachtigheid en zekerheid zegt: 'grenzen zijn onzin'.
(Als zelfs de autisten niet meer hetzelfde zijn, wat moet je dan nog.)

Steeds meer denk ik: in godsnaam. Gooi de grenzen open, allemaal. Wat nou 'gelukszoekers'?
Om het heel cliché te zeggen: zoeken we niet allemaal geluk?
En hoe groot moet je ongeluk zijn, om dit ervoor te hebben?

Kom het maar halen, dat geluk.

Ja, ik ben bang mijn veiligheid kwijt te raken.
Al het vertrouwde, alles waarin ik mezelf herken, mijn jeugd, mijn thuis.
Maar gelijkgestemden vinden elkaar tòch wel.
Laat landscultuur maar micro-cultuur worden. Als je wilt koekhappen, steltlopen, echt lekker Hollands (in)tolerant wilt zijn: richt een Facebook-groepje op en kom samen.
Maar gooi die grenzen open.
Want het heeft allemaal toch geen zin. En het kost alleen maar geld, energie en vooral: levens.



(Link via Maartje. Die niet in mijn wijk woont, niet in Zuid-Holland, niet eens meer in Nederland. Maar die me 'desondanks' zeer dierbaar is.)
woensdag 29 oktober
12 | 15:52 Kleedgeld

Bij de kringloop vond ik een broek.
Ja, alwéér. Maar dit was anders. Dit was voor het laatst.
Want dit was de mooiste, de beste, de coolste, de hipste en de meest flatterende broek die ooit is gemaakt.
De broek to end all broeken.

Er was één probleem.
Hij was te klein.
Als ik mijn adem inhield kon hij net dicht. Ik kon dan niet meer eten of drinken of lopen of ademhalen - maar wat veel erger was: mijn buik blupte over de band.

Niettemin kocht ik hem.
Ik zou, zo hield ik mezelf voor, online kunnen kijken of ik hem nog ergens kon krijgen.
En anders kon ik er altijd nog in krimpen.

Maar, lo and behold: ik vond hem, op ebay!
Ik vond hem en hij was, inclusief porto, onbetaalbaar.
En de verkoper was niet bereid een dealtje met me te sluiten. Een doos met Dutch goodies of een hand knitted scarf of misschien kon ik mijn maatje 28 ruilen tegen hun maat 30, I'll show you mine if you show me yours..?? Of naaktfoto's, ik heb massa's naaktfoto's die ik kan sturen!
Nou ja, dat laatste zei ik nog net niet, maar de wanhoop zat hoog, dat moge duidelijk zijn.
Maar de eBayert was onvermurwbaar. Het was deze prijs of niets. Take it or leave it.

Nu kan ik twee dingen doen.
Ik kan tien kilo afvallen en dan ben ik heel zwakjes en ziek maar dan kan ik deze broek aan! (en geen van mijn huidige kledingstukken meer)

Of ik kan u smeken om een Gift.
1 euro per persoon. Met 1 enkele euro helpt u deze niet-hongerende niet-dakloze niet-wees de winter door!
En dan mag u zelf kiezen wat u er voor terug wilt. Maar geen naaktfoto's. Zó goedkoop ben ik nou ook weer niet.
dinsdag 28 oktober
1 | 18:49 Memento Mori

Als u sterft, krijg ik dan een kaart?

Weten uw vrienden wie uw vrienden zijn?
Weten uw dierbaarsten wie u dierbaar zijn?
Wie andersom u als dierbaar beschouwen?
Weet u zelf eigenlijk wel wie u zal missen? Wie afscheid wil nemen, wie wil weten als u niet meer bent?

Wie zijn uw mensen, van wie bent u? En wat is er vastgelegd?

En als u sterft, krijg ik dan alstublieft een kaart?
woensdag 22 oktober
§ | 00:06 Of: dat mensen niet zo ingewikkeld moeten doen over 'speciale speeltjes voor de kat'

Ik had Daantje opgesloten in de slaapkamer. Heel per ongeluk, heus waar, ze moet langs me geglipt zijn toen ik daar iets ging weg zetten, en toen ik vervolgens weer weg liep en de deur achter me dicht trok was het gebeurd en gedaan.

Ik miste haar niet. Ik zag haar niet, maar ik miste haar niet, want Daantje heeft een heel eigen leven waarin ze mij niet kent. Ze kan soms uren lang volledig onvindbaar zijn; en dan vanuit het niets duikt ze op uit een hoek waar ik toch echt al talloze keren had gekeken. 'Cats are liquid', heet het dan; en Daantje is in dat opzicht driedubbel kat.

Ik miste haar dus niet, maar hoorde op een gegeven moment een enorm kabaal uit de gang opstijgen. Zo enorm dat ik toch maar even ging kijken.
In de logeer-/boekenkamer was niets te zien. Terwijl daar voor een kat toch het meest te doen is: boeken en kasten en dozen en stapels vers wasgoed, om om te gooien en in te kruipen en kapot te krabben.
Maar daar kwam het lawaai niet vandaan.
Pas toen ik weer in de gang stond zag ik bij de deur van de slaapkamer iets vreemds.

Vóór de deur bewoog, zomaar op eigen houtje, een tasje. Woest heen en weer en op en neer, alsof het bezeten was.
Na dit griezelidee toch maar weer verworpen te hebben drong door wat de werkelijke oorzaak was.
Oh f*ck.

Toen ik de deur openrukte bleek daar inderdaad Daantje te zitten.
Maar anders dan verwacht was Daantje helemaal niet bezig met opgesloten zitten of ontsnappen; met bang zijn of luid protesteren.
Ze had een heel nieuw project, leek eerder geergerd dat ik haar onderbrak.

Wat er was gebeurd was dit:
vóór de slaapkamerdeur had een tasje van Action gelegen. Met inhoud.
Vermoedelijk had Daantje, in een poging aandacht te vragen voor haar (toen nog) benarde situatie, haar poten onder de deur door gestoken. De beruchte 'zombie paws'; welbekend om hun verschijning onder WC-deuren.
Mij had ze niet gevonden, maar ze had wel het zakje te pakken gekregen. En zakjes 'zijn altijd +1', om met vriend A. te spreken. Ze had het tasje naar zich toegetrokken en eraan gekrabt. En toen had ze zicht gekregen op de inhoud van het tasje. Daar ook een flard van te pakken gekregen. En toen was de beer los. Ze was gaan trekken en trekken en trekken, net zo lang tot ze de hele inhoud van het tasje naar haar kant van de deur had geworsteld.

En zo kwam het dus, dat ik mijn woeste beestje temidden van een bol wol zag zitten. Een knalroze, gloednieuwe, helemaal uitgehaalde en geknoopte bol wol.

Dat zal me leren. Om beter oog te houden op rondzwervende katjes.
En vooral: om mijn rotzooi op te ruimen zodra het huis binnenkomt..

*(Helaas geen foto. Wegens uitgerekend nu een lege batterij. Sorry. Geen-volgende-keer beter, naar ik hoop)
maandag 20 oktober
§ | 20:16 Aaibaar

Mijn vader, nadat hij met een voorzichtig vingertje mijn vers-geschoren schedel had aangeraakt: 'Mmm.. zacht... Fijn!'.

Ik heb hem er nogmaals op gewezen dat er recht achter mijn huis een kinderboerderij zit. Met schaapjes en geitjes en koeien en knijnen. Mocht hij knuffelbeesten en zachtheid missen.

Maar hij beschouwt 'mijn' beesten (terecht) als krankzinnig en verstandelijk beperkt; en als zodanig gevaarlijk en onbenaderbaar. Waar ik dan ook wel weer kan inkomen.
donderdag 16 oktober
2 | 13:41 Eind goed, al goed

Eindelijk was ik dan toch overstag: er zou een kattenluikje in de badkamer komen.
Dat Casper op korte termijn minder vraatzuchtig en hebberig zou worden leek me een illusie en utopie; dat Daantje voor zichzelf zou leren opkomen en voor haar eten vechten ook.
Zoals het nu gaat heeft Daantje iets heel lekkers, helemaal voor zichzelf alleen, ook exclusief aan haar gegeven; en zodra Casper aan komt rennen doet zij een stapje opzij en zegt: ‘oh, nee, natuurlijk, ga je gang, nee heus het was heel smakelijk maar ik wil je niet in de weg zitten’.

Daantje eet kleine hapjes, gedurende de dag. Tien keer op een dag. Daantje zou gewoon een volle voederbak moeten hebben waar ze de hele dag bij kan – maar een volle voederbak blijft, met Casper in huis, niet lang vol.
En dus krijgt ze eten in de badkamer. Maar van tien keer per dag de deur open doen – of beter: twintig keer per dag, want ze moet er ook weer uit – kregen we allebei schoon genoeg.
Dus zou ik dan, toch maar, in vredesnaam, een luikje in de badkamerdeur maken. Een chique luikje, een professioneel luikje dat reageert op de chip in haar nek. Een luikje voor de lieve prijs van €69,95. In een huurwoning-deur die ik, als ik ooit ga verhuizen, zal moeten vervangen. Kosten ca. €200.
Ik had het plan keer op keer overwogen en op grond van de kosten net zo snel weer verworpen, maar nu zou het dan toch gaan gebeuren.
Luikje besteld, decoupeerzaag gehuurd. Gat uitgezaagd, deurtje met veel gedoe min of meer stevig in de deur gezet (luikje daarbij beschadigd, want holle deur en onvermijdelijk mis-mikken van schroeven, etc).
Er was geen weg terug.
Maar, zo bleek, ook geen weg héén.

Al wat ik hoefde te doen, zo zei de gebruiksaanwijzing, was de Memory-knop indrukken; de eerste de beste kat die dan zijn kop door het luikje stopte zou in het geheugen worden opgeslagen.
Met Daantje in mijn armen zat ik in de gang. Duwde haar kop door het luikje. Het luikje deed niets. Daantje ook niet, want die wordt sowieso bloednerveus van luikjes. Het luikje naar het balkon gaat ook niet van harte: ze durft er niet gewoon met haar hoofd doorheen, maar duwt het eerst met een poot open, drukt dan haar kin op de borst, houdt haar andere arm over haar hoofd en gaat dan eindelijk, op hoop van zegen, naar buiten.
Daar had ik nu ook op gerekend. Ik was helemaal voorbereid op een lang gevecht vóór Daantje dit nieuwe luikje überhaupt zou accepteren.
Waar ik helemaal niet op was voorbereid was dat haar chip niet zou worden opgepikt.
Met de memory-functie nog steeds aan duwde ik Daantje met licht geweld tot drie keer toe door het luikje.
Niets. Helemaal niets. Het rode lampje bleef blij en verwelkomend knipperen, hoe zeer ik hem ook aan het verstand probeerde te brengen dat de te herinneren kat allàng was gepasseerd.

Misschien was het luikje stuk.
Ik had nog een kat. Ook gechipt. Precies de kat die absoluut niet door het luikje mocht worden herkend, maar als ik het geheugen zou kunnen resetten zou ik hem als testcase kunnen gebruiken.
Ik keek de handleiding na, het luikje bleek inderdaad een reset-mogelijkheid te hebben, en ik liet Casper te gang in.

En toen bleek Casper ineens helemaal niet zo dom als hij altijd lijkt. Of in elk geval: woest intelligent zodra en zolang er eten in het spel is.
Hij wierp één blik op de badkamerdeur, zag het luikje, en zei: ‘ah, fijn, dat werd tijd. Dat scheelt een hoop gedoe, aan eindeloos op wacht liggen tot die deur eindelijk eens op een kiertje staat’.
En stapte zonder enige aarzeling naar binnen. Zelden een kat zo blasé door een kattenluikje zien gaan.
Het luikje, op zijn beurt, omhelsde Casper met net zo weinig aarzeling en zei direct: ‘ha, een kat!’. En sloeg Caspers chip op in het geheugen.

Daantjes chip bleek kwijt.
Onvindbaar, onleesbaar.

Dat zou in principe nog niet zo heel erg zijn.
Om naar binnen te gaan is een chip nodig, maar terug naar buiten kan ‘gratis’, zonder scan of pasje of tol.
Ze zou in elk geval voortaan zelf weer de badkamer uit kunnen, dat scheelde al één keer wachten en deuren openen.

Of toch niet…?

Het werd getest.
Daantje bleek niet van plan te zijn om via het luikje naar buiten te gaan.
De rollen waren omgedraaid: want waar Casper verrassend slim was geweest, toonde Daantje zich nu bedroevend dom.
In de gang lag ik, op mijn buik, voor het luikje. Zwaaiend en seinend en koerend naar Daantje. Kom maar! Kom maar naar buiten.
Daantje deed niets. Zat kaarsrecht, als een dametje, voetjes bij elkaar. Nog net niet de handjes in haar schoot gevouwen.
Keek me aan, het hoofd schuin.
Hoe ik ook wenkte en met touwtjes wapperde, ze kwam geen stap naderbij.
Draaide het hoofd naar de andere kant. Staarde me geïnteresseerd maar volkomen ‘dense’ aan.
Toen ik dan maar weg ging, in de hoop dat ze het zelf wel zou uitvinden, steeg er een luid gejammer uit de badkamer op.
La-me eruit, la-me eruit, la-me eruiiitttt!!!

Ten lange (LANGE) leste leek ze het te snappen.
Het ging één keer goed.
Maar weer had ik niet op Casper gerekend.
De volgende keer dat Daantje zat te eten stak Casper zijn hoofd door het ‘tunneltje’, dat voor het luikje zit.
Was zeer verontwaardigd dat hij er dit keer niet doorkon.
Maar bleef zitten.
Staarde. Stáárde. Staarde door het ‘raampje’ naar het etende Daantje.
En weigerde vervolgens Daantje weer naar buiten te laten.

Dat is hoe de zaken er nu voor staan.
Casper heeft een raam waardoor hij naar een volle etensbak kan kijken.
En wordt daar redelijk wanhopig van, op het krankzinnige af.
Daantje heeft een luikje waarmee ze de badkamer niet in maar alleen uít kan. Wat in praktijk ook niet lukt, wegens de wakende Casper.
Ik heb een luikje van 70 euro, wat niet retour kan.
En een deur met een gat erin, waarvoor ik in de toekomst 200 euro zal moeten neertellen.

En nog steeds geen oplossing voor de verschillende eetproblemen.

Maar in elk geval kan ik nu met een decoupeerzaag omgaan.

* * *

Edit & Update, I - 16-okt, 16.00

Met Daantje naar de dierenarts gegaan om te controleren of de chip er überhaupt nog zat (leuk detail: ik wilde gisteren al gaan, maar toen kon het niet 'omdat er een spoed-keizersnee was'. Prima, kan gebeuren. Bij navraag, nu, hoe het was afgelopen en wat voor beest het was geweest was het antwoord: een cavia. Juist..) . Chip bleek WEG. Gewoon helemaal in het niets verdwenen, niet meer terug te vinden. Nieuwe chip geplaatst. Kosten: €43. Eén dag niet aaien, wat gelukkig niks uitmaakt want Daantje heeft de pest aan aangeraakt worden. Maar vanaf morgen mag ze, in theorie, weer geaaid worden. En geïntroduceerd bij luikjes. Hoezee.

* * *

Edit & Update, II: - 17-okt, 18.00

Het werkt, mensen! De chip zit erin, het luikje zei 'hoi!', en Daantje kan erdoor!

Of het de zaken er, althans vooralsnog, eenvoudiger op maakt is een tweede.
Zie hier een kleine situatieschets:

Daantje drentelt rond mijn enkels. Daantje stuurt me, al draaiend, in de richting van de badkamer.
Gaat vervolgens, volgens gewoonte, afwachtend, vragend, eisend bij de deur staan. Krabbelt aan de deurpost.
"Je kan nu zelf, lieverd. Kom maar, kijk hier"
Ik op mijn hurken.
"Kijk eens, dit is nu de ingang. Je kan nu zelf! Ga maar!"
"Ja, je bent lief. Zoem zoem. Hier, ga maar proberen!"
(dit als ze dwingend tegen me aan schurkt, onder voortdurend zacht gespin).
Kop bij het luikje. Klik! Opent het luikje enthousiast.
WTF?! Het maakt geluid! - deinst Daantje geschrokken terug.
Van voren af aan.
Klein duwtje van mij tegen haar bips. Toe maar, ga maar, het lukt wel!
Onzeker pootje naar voren. Kop, als vertouwd, schuin naar beneden. En erdóór!!!

Repeat, bij elke mini-maaltijd.

De tijd zal het leren..
1 | 06:49 Misdaad en straf

Ik heb mezelf verkracht. Ik heb mezelf verkocht, te grabbel gegooid. Me laten gebruiken, mezelf misbruikt.
Niemand heeft me iets misdaan.
Niemand heeft me beschadigd dan ikzelf.
Maar ik voel me vernederd, vies, verraden.
Hoe klaag je aan, bestraf je; als je zelf de dader bent? Hoe vergeet, vergeef - hoe verwerk en hoe genees je?

Kapot. Vernield. Verloren.

Spelende vrouw, wat heb je nu geleerd?
zaterdag 04 oktober
1 | 22:48 Indruk

Jom Kippoer. Mijn allereerste. Jaren naar uitgezien – letterlijk. Want het zou zo groots en machtig en indrukwekkend zijn. Kol Nidre, die ik alleen kende van de ‘coverversie’ van Max Bruch. Avinu Malkenu, waarvan de verschillende analyses online alleen al diepe indruk maakten. Om nog niet te spreken van de geluidsfragmenten.

Ik zou gaan. Hoe dan ook. Ik zou vooraf uitrusten en de hele vrijdag niets doen, en dan zou ik gaan.
Dat helemáál niets doen een slecht idee zou zijn bleek later.
Omdat het zo druk was werden zitplaatsen toegewezen. En speciaal om de claustrofoob in me een extra uitdaging te geven was mijn plaats: laatste rij, diep achterin sjoel, naast een onomzeilbare pilaar.

Ik kon er niet uit. Ik zou er nooit meer uitkomen. Ik zat muurvast. En de dienst zou meer dan twee uur duren.
En ik moest staan. Niet de hele tijd, maar wel een groot deel. En ik was – excuses voor de informatie – ongesteld.
Dus na me een hele dag doodstil te hebben gehouden, geen vinger te hebben bewogen, stond ik nu ineens rechtop. Bloedend als een rund, en bovendien steeds meer in paniek rakend. Op een lege maag.
En dus voelde ik dat ik ging flauwvallen. Mijn hoofd, mijn nek, mijn rug, mijn benen – alles tintelde en wankelde en zwabberde.
Zitten.
Ik kon niet weg.
Ik moest naar de wc. Ook dat nog.
Zitten, staan, zitten, staan. Zwart voor de ogen.
Tot drie keer toe ging ik bijna onderuit.

Maar mijn god, wat was het mooi. Mijn God. De tere, maar toch ook zo machtige melodieën. De chazzan die niet maar ‘gewoon een liedje zong’, maar die de teksten en tonen leek te proeven, af te tasten.

Uiteindelijk wist ik me naar buiten te werken. Redelijk onopvallend, hoopte ik.
Naar de wc, even lopen, hoofd naar beneden. En toen terug, dit keer op de bovengalerij.
Gek genoeg maakte dat het nog indrukwekkender. Feminisme be damned: ik voelde me op mijn plaats, zo achter de ‘tralies’ van de (van oorsprong) vrouwengalerij. Van bovenaf neerkijkend op een woud van gebedsmantels en kipa’s; de overgave, de ‘saamhorigheid’, bij gebrek aan een beter woord.
Het was niet heilig, het was niet schíjnheilig of gemaakt. Het was een volkomen oprecht, natuurlijk samenzijn.

En toen kwam het. Avinu Malkenu.
Het slot, met de bijna wanhopige snik in de melodie.
Door merg en been, ging het.

‘s Avonds kreeg ik keelpijn. Die niet overging, hoeveel drop en water ik er ook tegenaan gooide.

Ik bracht de nacht door met het wegslikken van een immer dikker wordende keel. Sliep nauwelijks, stond vervolgens de hele dag te zwalken.
Maar: geen koorts, stelde de thermometer me de hele dag gerust. De kapòtte thermometer.
Wèl koorts, zei de werkende thermometer, die ik pas tegen vijven raadpleegde; achterdochtig geworden door de hittegolf die in mijn hoofd woedde.
De afsluitende avonddienst zou ik nu wel op mijn buik kunnen schrijven. Ik zou dit keer niet bijna, maar helemáál flauwvallen.
Glaasje water. Dropje. De temperatuur die iets daalde.
Ik rekende uit: half uur héén, anderhalf uur dienst, half uur terug. Gewoon direct boven zitten, niet in de drukte beneden.
En ik ging.
Hoe bang ik ook was – want niets enger dan ziekzijn, wat mij betreft. Wat als de koorts ineens zou pieken, wat als de MS zich dan aan zijn eigen regels zou houden en heel agressief op de verhoogde lichaamstemperatuur zou reageren, wat nou als ik dan in sjoel door mijn benen zou zakken, wat nou als wat nou als wat nou als – wat nou als het gewoon heel fijn zou zijn?

En dat was het.
De sfeer was ontspannen en onrustig in één. Gedeelde moeheid en hongerigheid. Tegelijk ook die ‘saamhorigheid’, een bij elkaar horen, thuis zijn. Het was rumoerig, er werd in- en uitgelopen, er klonken wat jengelende kinderstemmetjes. Maar onder alles klonk toch: we gaan niet weg hoor, zo terug, we blijven tot het einde bij elkaar. Volledige toewijding.
In twee dagen tijd was mijn Hebreeuws met sprongen vooruit gegaan. Ik durfde mijn ogen van de bladzij te halen, rond te kijken, gewoon te luisteren zonder elke letter te volgen, bang de draad kwijt te raken. Steeds vond ik mijn weg weer terug.
Thuis.
Ik was ziek, ik had het koud, onder normale omstandigheden was ik gewoon opgekruld en huilerig op de bank voor de TV gaan liggen. Maar hier zat ik. Ook opgekruld: mijn voeten opgetrokken voor me; één hand aan de tralies, mijn hoofd tegen het hek geleund naar beneden kijkend. Gezangen en gebeden om me heen, me inbakerend. Ik was ziek, maar ik was veilig en ik was thuis.

Toen, helemaal aan het eind, weer: Avinu Malkenu.
De snik leek dit keer nog groter; hunkerender, pleitender in de smeekbede: "Onze Vader, onze Koning, wees ons genadig, wij hebben geen daden waarop wij ons beroepen kunnen, maar toch, laat de mildheid kennen van uw trouw"
Machteloos als een kind: ‘alstublieft, ik weet het ook niet meer, ik kan niets meer doen, maar alstublieft, blijf bij me, hou me vast"

De klank van de sjofar. Oneindig lang.
En ineens: uit. Klaar. Lachend en uitgelaten stroomde iedereen naar buiten. Men had haast, want honger.

Gelukswensen: ‘nog vele jaren’.
Ik hoop en wens het van harte. Nog vele jaren. En vele keren vaker.
dinsdag 16 september
1 | 19:52 Kalm aan en rap een beetje

Af en toe - of regelmatig - ben ik een beetje uit mijn doen.
Buien waarin ik aandacht wil, of eigenlijk juist niet. Mijn draai niet kan vinden, mijn woorden niet; uit mezelf wil wegrennen. Buien waarin ik druk en joelerig en lawaaiig ben; grappig en schertsend maar allemaal nèt iets te hard en ongecontroleerd. Niet weet of ik wil lachen of huilen - eigenlijk toch liever huilen, maar liever nog gillen en slaan.

Het zijn vaak buien waarin ik aan mensen ga trekken. Hangen, kleven. Waarvan ik onmiddellijk spijt heb; wil uitwissen wat ik heb gezegd, mezèlf wil uitwissen. Tot in den treure mijn excuses ga aanbieden, verklaringen wil geven - waarmee ik nog veel aanweziger ben en de spijt en zelfvernietingsdrang alleen maar groter worden. "Shut up shut up shut up shut up!!!!" - schreeuwt het in mijn hoofd, maar stiller wordt het er beslist niet op.

En dan kijk ik naar mijn kattenbeestjes.
Naar Daantje, die op z'n tijd ontzettend klierig kan zijn. Gewoon zomaar in het voorbij lopen Casper een mep geeft. Of heel hard komt aanhollen en dan zo bàf bovenop hem springt, als hij gewoon kalmpjes lag te dutten.
En hoe Casper er dan op een gegeven moment genoeg van heeft. Niet blaast, niet bijt, niet terugslaat. Maar in plaats daarvan Daantje in een houdgreep neemt en haar heel nadrukkelijk, bijna hardhandig begint te likken. Alsof hij zegt: "EN NOU BEN JE GEWOON EVEN RUSTIG!!".
Waarop zij ook inderdaad direct kalmeert. En ze vaak in elkaar verstrengeld in slaap vallen.

Ik zie het en ik denk: ja, dat is wat ik eigenlijk wil. Geen sorry sorry of shut up shut up, maar veel meer: "hou me vast, hou me vast". Een koesterende houdgreep. Iemand die me stevig vastklemt en me, liefdevol maar beslist, het zwijgen oplegt.

Dat, of gewoon een dwangbuis en sedatie.


woensdag 10 september
2 | 18:48 Fantastisch

Ik had hier ooit een rant willen schrijven over de betuttelende houding van Facebook.
Het bedillerige van een moederkloek die op de speelplaats vriendjes voor je regelt. Of ronselt.
Zo kreeg ik, zodra ik Dan's friendrequest had geaccepteerd, onmiddellijk een bericht van Facebook: "Dan is new on Facebook. Help Dan find his friends".
Nou, dat maakt Dan zelf wel uit, of hij dat nodig vindt.

Maar vrienden hebben, volgens Facebook, met heel veel dingen hulp nodig.
Niet alleen met vriendjes (terug)vinden, maar vooral ook met het vieren van hun verjaardag.
En omdat ik al mijn eigen vriendjes, verjaardags-technisch, in groepjes van drie blijk te hebben uitgekozen, krijg ik dus ook doorlopend massa-oproepen.
Berichten als deze:
"ActieReactie, Daisy en Maarten van Vlier have their birthday this week. Help ActieReactie, Daisy en Maarten van Vlier celebrate their birthdays"

Help ze dan toch! Hoe kunnen ze ooit zonder jou hun verjaardag vieren!

En ik deed niets.

Aan geen van de hulpkreten heb ik gehoor gegeven.
Voor een deel omdat die oproepen me mateloos irriteren en volledig averechts werken, maar voornamelijk - laten we eerlijk zijn - gewoon vanuit mijn eigen asociale rotkaraktertje.

Maar.
Ik heb een schaduwaccount.
Voor alles wat mijn FB-vriendjes niet mogen weten.
Voor alles wat ik anoniem wil schrijven.
In praktijk doe ik er niets mee, want ik ben veel te lui om ooit echt anoniem te kunnen zijn. Maar die schaduwaccount is er, en ik ben zelfs vriendjes met haar.

En dus kreeg ik deze week een nieuwe, toch wel verrassende oproep:
Puck's birthday is this week. Help Puck celebrate her birthday.

En dit keer heb ik de oproep wèl ter harte genomen.
Ik zou mezelf een fantastische dag bezorgen.

Vooraf heb ik mijn verjaardag aan enige vrienden aangekondigd. Met de opmerking dat ze zelf mochten weten wat voor cadeautje ze me zouden geven. Niet òf, maar wat vóór.
Want kindertjes die vragen worden zelden overgeslagen en wie nooit goed doet natuurlijk altijd goed ontmoet.

Maar ik ken ook mijn grenzen. Ik had mezelf natuurlijk zonder meer her en der kunnen uitnodigen, de vriendelijke tirannie moet best breder inzetbaar kunnen zijn dan alleen maar voor cadeaus.
Maar gelukkig staken de omstandigheden daar een stokje voor.

Dus werd ik vanmiddag verwacht voor de jaarlijkse echo van mijn nieren.
Die vervolgens weer moest worden afgeblazen voor een nòg leukere invulling: een knus groepsgesprek, met mijn beide ouders en de huisarts van mijn vader.
Om te praten over paps toekomst. De boeken, het huis, de mogelijke uithuiszetting, de doemscenario's van pa die zwervend op straat eindigt, een winkelwagentje vol oude kranten voortduwend.

Het werd, zoals u zich kunt voorstellen, ècht een vrolijk gesprek. Zonder enige strijd; zonder discussies, uitbarstingen of huilbuien.
Met als conclusie en opdracht van de huisarts: Dat Er Stappen Ondernomen Gaan Worden. En over twee weken terugkomen.
En de stilzwijgende wetenschap, voor mijn moeder en mij: dat er helemaal nìets zal worden gedaan. Dat papa over twee weken die afspraak afzegt. Ook geen nieuwe maakt. En dat hij genadeloos zijn ondergang tegemoet gaat.
Maar dat het niet meer in onze hand ligt.

Na afloop gingen mijn moeder en ik "ons bezatten", bij de koffie-automaat van het ziekenhuis.
Alwaar ik mijn neuroloog tegen het lijf liep.
"IK BEN JARIG!", sprak ik dreigend. ("... en waag het niet om het te verpesten..")
"Oh. Gefeliciteerd. Maar is dit de beste plek om het te vieren..?"
Ach ja, waarom ook niet. Kind aan huis, inmiddels.

Maar vanavond heb ik cursus. Eerste les, sinds de vakantie.
"Oude Testament". Altijd leuk.
En ik ga uitdelen: roomboterkoekjes die bij AH in de bonus waren.

Want Albert Heijn let op de kleintjes. Ook als die 37 worden.
woensdag 27 augustus
3 | 01:59 Groei & bloei

Eens, op een (overdramatische) februari-dag in 2013, toonde ik u foto's van mijn bevlochten achterhoofd.

Er kan een hoop gebeuren in 571 dagen.

Of in elk geval sinds 16 april dit jaar, toen ik resoluut de schaar in die vlechten zette.

Van het een kwam het ander - en dus heb ik sinds vandaag, in plaats van vlechten, bloemetjes op mijn achterhoofd.

Ook lief. Op een kinki manier.
woensdag 20 augustus
1 | 14:45 Geen sprake van

Mijn vader moet verhuizen, omdat werken steeds lastiger wordt (zo gek, hij is pas 79 en hij heeft immers nog één heel werkend oog..?!) en hij dus ook steeds minder makkelijk de huur kan neertellen.
Of ik een nieuwe woning voor hem kon zoeken.

Wat zijn wensen (eisen) waren?
Nou ja, wel in dezelfde buurt, want we zijn allemaal van elkaar afhankelijk dus dat moet wel. En in de buurt van de tram. Geen trappen, want zijn knieën. Niet hoger dan de derde verdieping, ongeacht lift, want hoogtevrees. En, oh ja, genoeg ruimte. Kastruimte en oppervlak. Want hij wilde al zijn spullen gewoon kunnen meenemen.

Juist. Kortom: alles wat een woning aantrekkelijk en dus duur maakt.

"Je realiseert je dat je in elk geval de helft van je oppervlak krijgt? Op z'n best? Dat je dientengevolge en derhalve ook afscheid moet nemen van tenminste de helft van je spullen?"

Nee, dat had hij eigenlijk nog niet zo bedacht.
Natuurlijk moest er voor €500 minder een woning te vinden zijn met net zoveel ruimte als zijn huidige zéér riante vijf/zes-kamerappartement.

"Pap. De helft. Echt. Als je richting sociale huurwoningen gaat heb je als alleenstaande sowieso maar recht op twee kamers, of drie kleine cel-achtige ruimtes."

Maar we kunnen toch ook gewoon in de particuliere sector kijken?

Tuurlijk kunnen we dat.
Dus dat deed ik.

Ik vinkte de gewenste wijkjes aan, stelde de bovengrens voor de huurprijs in, wilde toen beginnen met de ruimte te selecteren en zag dat dat eigenlijk niet zoveel zin had.

Er was:
één driekamerwoning, met 50m2 woonoppervlak.
En één vierkamerwoning, van 70m2
Tegenover het winkelcentrum, tegenover de tram, tegenover de bus - eigenlijk overál tegenover. Eén hoog, maar wel een lift.
Een douche èn een bad.
Een berging.
Een aparte, gesloten keuken.
En originele houten vloeren.

Ik zat kwijlend voor mijn scherm.
En belde mijn vader.

"Ik heb een huis voor je."

Ik beschreef al het moois, noemde toen het adres.

"Oh, geen sprake van, daar ken ik het wel, dat zijn rothuizen, van net na de oorlog, toen alles snel en klein moest"

Ik geloof dat mijn vader nog een beetje in het reine moet komen met zijn verhuizing.
En zijn eisen wat moet leren bij te stellen..
dinsdag 01 juli
1 | 13:55 Don't do drugs

't Is raar spul, catnip.
Casper is compleet onaangedaan door het spul. Hij ruikt het niet, hij vindt het niet aantrekkelijk; en al zou ik een hele zak door zijn eten mengen, dan nog zou het hem niets doen.
Daantje daarentegen... (klik!)



En nu heb ik eigenhandig een junk gecreëerd.
Want ze is nooit agressief. Altijd kwaad en geïrriteerd, dat wel, maar dat is meer van het beledigde prinsesse-soort. Maar nooit agressief.
Maar nu net zag ik haar luid grommend in de vuilniszak graven. Op zoek naar het lege catnip-zakje (heel toepasselijk eenzelfde soort zakje als waarin weed komt). En toen ze het eenmaal had ging ze er bovenop zitten en zette haar tanden en klauwen erin alsof het de sappigste muis ooit was.

Dus, kindertjes. Begin niet aan drugs. Wat je vrienden ook doen. En... eehm.. wat je 'moeder' je ook probeert voor te zetten..
woensdag 25 juni
§ | 14:19 Coole kikker

Mijn moeder had een shirt voor me gekocht, bij de kringloop.
Het leek het meest op een radioactieve kikker. Strepen geel, groen, turquoise, oranje, rood. Verschillende tinten van al die kleuren. Monsterlijk lelijk, maar geweldig leuk, en gek genoeg toch ook wel weer mooi.
En hoewel ik geel en groen mijd als de pest (om de eenvoudige reden dat ik er zelf een moeraskleurtje van krijg), stond dit me verbazend goed.
Maar het voornaamste was, als gezegd: als je eenmaal door het radioactieve heenkeek was het eigenlijk heel mooi. Of toch op zijn minst 'fantasievol' en 'creatief'.
Dus ik googlede op het merk.

Oh god.

Ik heb geld nodig. Heel, héél veel geld...